De zeeslak – een roofdier van formaat
Opgelet, deze tekst is niet geschikt voor gevoelige lezers! In het Plioceen lag een groot deel van het huidige Vlaanderen onder een ondiepe zee. Het Waasland maakte deel uit van de zuidelijke rand van het Noordzeebekken. Deze zandige tot slibrijke zeebodem was een ideaal biotoop voor heel wat weekdieren: schelpen, kreeftachtigen, slakken en wormen. Slakken geven de indruk vreedzame weekdieren te zijn die leven op een traag tempo. Maar vergis je niet, veel zeeslakken zijn niet zo onschuldig maar efficiënte en levensgevaarlijke roofdieren.
Een van hen, de Scaphella Lamberti, behoort tot de familie van Volutidae. Deze slakken kunnen tot 15 cm groot worden. Ze leven bij voorkeur op zandige of modderige bodems omdat ze zich dan met hun grote voet snel kunnen ingraven ter bescherming van krabben en andere kreeftachtigen die op hen jagen. Verstopt onder het zand wachten ze een veilig moment af, dan worden zij de jager. Via een goed ontwikkelde reuk- en smaakzin vinden ze langzaam maar zeker hun weg naar tweekleppigen, slakken of aas. Eenmaal een prooi gevonden, gebruiken ze hun slurf met rasptong om hun slachtoffer vast te grijpen, stukken weefsel af te scheuren die ze dan naar binnenwerken.
Op het einde van het Plioceen, zo’n 2,6 miljoen naar geleden, sterft deze zeeslak bij ons uit. Vandaag komt de Scaphella enkel nog in de westelijke Atlantische oceaan voor in een tropisch tot subtropisch klimaat.
Wist je dat beschadigde fossiele exemplaren ook een interessant verhaal kunnen vertellen? Beschadigingen aan de mondrand van een zeeslak bijvoorbeeld kunnen wijzen op een aanval van een krab die met zijn scharen de schelp probeerde open te knippen. Abnormale verdikkingen op de schelp verraden dan weer dat de zeeslag ooit een aanval overleefde en zijn beschadigde schelp herstelde.
Terug naar overzicht